NT-Wiki

Het gebruik van 'De Joden' in het Evangelie van Johannes

Overzicht – patronen – betekenis

32 n.Chr. – 40 n.Chr.

Infographic: Het gebruik van 'De Joden' in het Evangelie van Johannes — Overzicht – patronen – betekenis — categorie Evangeliën

Het Evangelie van Johannes gebruikt de uitdrukking 'de Joden' (οἱ Ἰουδαῖοι) op een dynamische en betekenisvolle manier. Aanvankelijk verwijst de term vaak naar het Joodse volk in algemene zin, inclusief hun gebruiken en feesten, waardoor een achtergrond wordt gecreëerd voor Jezus' handelen. Voorbeelden uit de hoofdstukken 1-4 tonen Joden die Johannes de Doper ondervragen, het Pascha vieren en geen omgang hebben met Samaritanen. Echter, vanaf hoofdstuk 5 begint een escalatie van conflict. 'De Joden' worden steeds vaker afgeschilderd als tegenstanders van Jezus, die hem vervolgen, morren en zelfs willen doden. In deze fase wordt, hoewel soms nog het volk bedoeld, de focus meer en meer verlegd naar de religieuze leiders en autoriteiten in Jeruzalem.

Een opvallende fase zijn de hoofdstukken 14-17, de afscheidsredes van Jezus aan zijn discipelen, waarin de term 'de Joden' helemaal niet voorkomt. Hier richt de narratief zich op de innerlijke gemeenschap van Jezus met zijn volgelingen, en verschuift de tegenstelling van 'Jezus versus de Joden' naar 'Jezus versus de wereld' (κόσμος). Dit creëert een moment van interne focus voordat het conflict opnieuw oplaait.

In de latere hoofdstukken, 18-20, die de passie en nasleep beschrijven, wordt 'de Joden' vrijwel uitsluitend gebruikt om de religieuze autoriteiten in Jeruzalem aan te duiden. Zij grijpen Jezus, overleggen, ondervragen hem via Pilatus en zijn verantwoordelijk voor zijn kruisiging. Zelfs de vrees voor 'de Joden' wordt vermeld, wat de dominante rol van deze autoriteiten benadrukt. Hoofdstuk 21, de epiloog, keert terug naar de gemeenschap van discipelen, en ook hier ontbreekt de term 'de Joden'.

Deze analyses, die ongeveer 70 instanties van de term categoriseren, laten zien dat 'de Joden' in 56% van de gevallen verwijst naar religieuze leiders/autoriteiten, in 24% naar het volk in algemene zin, in 12% naar religieuze/culturele context, en in 8% naar een gemengde of onbepaalde categorie. Het zorgvuldige gebruik van de term in Johannes is dus geen toevallige woordkeuze, maar een bewuste theologische en narratieve strategie. Het ondersteunt de gedachte dat het evangelie is geschreven vanuit een gemeenschap die zichzelf ervoer in conflict met de gevestigde Joodse machtsstructuren.