Uitlegnotities in het Evangelie van Johannes
Zijn deze uitlegnotities zinvol voor Samaritanen?
32 n.Chr. – 70 n.Chr.

De infographic onderzoekt de verklarende noten in het Evangelie van Johannes door te analyseren of deze toelichtingen – die vaak Joodse concepten, namen of tradities uitleggen – zinvol waren voor twee potentiële doelgroepen: Samaritanen en Grieken/Romeinen. Er worden achttien specifieke Bijbelverzen en hun bijbehorende uitleg door de evangelist Johannes op een rij gezet. Voor elk van deze verklaringen wordt geëvalueerd in hoeverre ze zinvol zouden zijn voor zowel Samaritanen als Grieken/Romeinen.
Voor een Grieks/Romeins publiek blijken alle achttien uitlegnotities relevant en verhelderend te zijn. Zij waren doorgaans onbekend met de Joodse achtergrond die in het evangelie wordt beschreven, waardoor definities zoals 'Rabbi betekent Meester' of 'Mesias betekent Christus' essentieel waren voor hun begrip.
Voor Samaritanen ligt de zaak anders. Hoewel ze cultureel verwant waren aan de Joden, verschilden hun gebruiken en geloofsovertuigingen op belangrijke punten. De analyse toont aan dat slechts drie van de achttien uitlegnotities ('Joden hebben geen omgang met Samaritanen', 'Rabbi betekent Meester' en 'Rabboeni betekent Meester') overbodig lijken te zijn voor een Samaritaans publiek. De opmerking over de afwezigheid van omgang past niet binnen een Samaritaanse context, omdat Samaritanen dit wisten. De vertaling van 'Rabbi' en 'Rabboeni' was mogelijk overbodig omdat deze termen ook in hun Aramees sprekende gemeenschap bekend waren. Echter, de vertaling van 'Messias' als 'Christus' kan voor hen juist zinvol zijn geweest, aangezien Samaritanen zelf een Messiaanse figuur verwachtten (de Taheb), en de relatie met de Joodse Messiasbenaming een van de theologische twistpunten was.
Voor de overige vijftien uitlegnotities is de zinvolheid voor Samaritanen onzeker, maar ze zijn zeker geen argument tegen een Samaritaanse invloed op de vroege ontwikkeling van het Johannesevangelie. Veel van deze noten, zoals de uitleg van feestdagen (Pascha, Loofhuttenfeest) of Hebreeuwse/Aramese termen (Bethesda, Golgotha), konden voor Samaritanen verhelderend zijn, gezien hun eigen unieke interpretaties en tradities.
De conclusie die hieruit getrokken wordt, is dat de uitlegnotities in het Evangelie van Johannes een Samaritaanse achtergrond niet uitsluiten. Het patroon van deze toelichtingen suggereert eerder dat het evangelie mogelijk is ontstaan binnen een Samaritaans/Joods-Doper netwerk. Vanuit dit oorspronkelijke milieu, dat getuigt van complexe religieuze interacties in de vroege eerste eeuw, groeide het evangelie en werd het later geredigeerd en uitgegeven voor een breder, Griekssprekend publiek, mogelijk in Efeze, waarbij de uitlegnotities voor hen allemaal duidelijk relevant waren.