NT-Wiki

De Hitchcock-vermeldingen

Hoe de evangelisten zichzelf subtiel in het verhaal plaatsen

Infographic: De Hitchcock-vermeldingen — Hoe de evangelisten zichzelf subtiel in het verhaal plaatsen — categorie Evangeliën

Net zoals de bekende filmmaker Alfred Hitchcock op onverwachte momenten kort in zijn eigen films verscheen, zo zouden de auteurs van de evangelies subtiele aanwijzingen hebben achtergelaten voor hun aanwezigheid bij de gebeurtenissen die ze beschrijven. Dit fenomeen, hier 'Hitchcock-vermeldingen' genoemd, werpt een interessant licht op de aard van de evangelische geschriften en de intenties van hun schrijvers.

Het evangelie naar Johannes, bijvoorbeeld, introduceert 'de discipel die Jezus liefhad' op cruciale momenten. Deze figuur blijft anoniem tot aan het einde van het boek, waar impliciet wordt gemaakt dat hij de getuige en schrijver van het verhaal is. Deze aanpak wordt als een van de sterkste aanwijzingen gezien.

Lucas hanteert een andere stijl door vaak in de derde persoon te schrijven over de reizen van Paulus en andere apostelen, om vervolgens abrupt over te schakelen naar 'wij-passages'. Dit wijst erop dat de auteur zelf, of een aanwezige in zijn kring, deelnam aan de beschreven reizen, zoals van Troas naar Macedonië of naar Rome. Het is een stilistische eigenaardigheid die suggereert dat Lucas een ooggetuige was van bepaalde gebeurtenissen.

Bij Marcus zien we een korte, maar opvallende passage waarin een onbekende jongeman verschijnt tijdens de arrestatie van Jezus. Hij is de enige die naakt vlucht wanneer hij wordt gegrepen. De plotselinge en verder irrelevante introductie en verdwijning van deze figuur heeft sommigen doen vermoeden dat dit een 'zelfportret' van Marcus zelf is, een manier om te zeggen: 'Ik was erbij'.

Tot slot is er Matteüs, wiens aanwijzing subtiel maar herkenbaar is. Waar Marcus en Lucas de tollenaar die Jezus roept 'Levi' noemen, noemt Matteüs hem 'Matteüs'. Vervolgens identificeert Matteüs zichzelf later in een opsomming van de discipelen expliciet als 'Matteüs, de tollenaar'. Dit kan worden gezien als een bescheiden, maar duidelijke indicatie van zijn identiteit als de door Jezus geroepen tollenaar.

Deze literaire cameo's zijn geen zelfpromotie, maar eerder een vorm van getuigenis. Ze tonen aan dat de auteurs aanwezig waren en de gebeurtenissen vanuit hun eigen perspectief wilden delen, zonder zichzelf centraal te stellen, een trek die past bij de antieke bescheidenheid en de moderne herkenning van ooggetuigenverslagen.